Echt recht op beroep


Pas beroeps­clausule aan conform uitspraak Europese Hof: ook toegang tot rechter als eerder geen ziens­wijze is ingediend

Indiendatum: 30 apr. 2021

De Nederlandse wet (artikel 6:13 Awb) bepaalde tot nu toe dat belanghebbenden niet in beroep kunnen gaan tegen een vergunning, als zij eerder (verwijtbaar) niet of niet tijdig bezwaar hebben aangetekend tegen een (ontwerp)vergunning. Deze voorwaarde in de Nederlandse wet is volgens het Europese Hof en nu ook volgens de Raad van State in strijd met Europees recht.

Begin dit jaar tikte het Europese Hof van Justitie Nederland op de vingers in het zogenoemde Varkens in Nood-arrest[1]. De Nederlandse werkwijze (artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht) maakt de toegang tot de rechter afhankelijk maakt van een eerdere deelname in de procedure. Dat houdt volgens het Hof een beperking van de rechtstoegang in, en is in strijd is met het Europese Verdrag van Aarhus[2], dat onder meer de toegang tot de rechter regelt in besluiten over milieuaangelegenheden. Alle belanghebbenden moeten beroep kunnen aantekenen, ook als zij geen bezwaar of niet tijdig bezwaar hebben ingediend tegen een (ontwerp)vergunning.

De Raad van State heeft heel recent de toegang tot de rechter verruimd voor onder meer omwonenden en milieuorganisaties[3]. Zij mogen voortaan ook naar de rechter stappen als ze tijdens inspraakrondes geen bezwaar hebben gemaakt.

Dit voorziend, hadden wij op 23 september een amendement ingediend ‘Alle belanghebbenden hebben mogelijk recht op beroep’. Daarin vroegen we het College: ‘Indien het Europese Hof het advies van haar Advocaat-Generaal overneemt dat alle belanghebbenden beroep moeten kunnen aantekenen, ook als zij geen bezwaar of niet tijdig bezwaar hebben ingediend tegen een ontwerpvergunning, haar inwoners via de geijkte kanalen hiervan op de hoogte brengen en in overleg te treden met o.a. de Raad van State om te onderzoeken of alle belanghebbenden alsnog de mogelijkheid moet worden geboden beroep in te dienen’ (het betrof toen specifiek het bestemmingsplan Nijmegen Ressen). Dit amendement heeft het destijds helaas niet gehaald.

Het College was echter door het amendement wel gewaarschuwd voor de mogelijke uitspraak van het Europese Hof en de Raad van State.

Het kan nu dus zo zijn dat vele (milieu/omgevings)vergunningen onjuist zijn verleend, ook in Nijmegen, doordat belanghebbenden bij (ontwerp)vergunningen in hun beroep niet ontvankelijk werden verklaard wegens niet of niet tijdig indienen van hun zienswijze of bezwaar volgens de Nederlandse wet.
Ook kan het zijn dat belanghebbenden geen beroep hebben aangetekend, doordat ze door de berichtgeving van de gemeente onterecht dachten dat dit niet meer kon, aangezien ze in een eerder stadium geen zienswijze hadden ingediend of bezwaar hadden aangetekend.

Ervan uitgaand dat het College bereid is zich aan (Europese) wet- en regelgeving te houden, vraagt de Partij voor de Dieren vraagt zich naar aanleiding van bovenstaande het volgende af:

  1. Is het College bereid de desbetreffende zinsneden in haar aankondigingen van (ontwerp-, milieu- en omgevings)vergunningen per omgaande aan te passen?
    Zo nee, waarom niet?
  2. Is het College bereid deze uitspraak en de gevolgen daarvan te communiceren aan haar inwoners?
    Zo nee, waarom niet?
  3. Kan het College aangeven hoeveel afgegeven vergunningen mogelijk ten onrechte zijn afgegeven, doordat een beroep onterecht niet ontvankelijk werd verklaard, en waarvoor deze zijn afgegeven?
  4. Zo nee:
    1. Waarom niet?
    2. Is het College bereid actief te onderzoeken welke afgegeven vergunningen mogelijk ongeldig zijn, doordat een beroep onterecht niet werd gehonoreerd, hoeveel dat er zijn en waarvoor die zijn afgegeven? Zo nee, waarom niet?
  5. Is het College nu wel bereid met de Raad van State in overleg te treden om te onderzoeken of alle belanghebbenden bij reeds verleende vergunningen alsnog de mogelijkheid moet worden geboden beroep in te dienen op vergunningen en bestemmingsplannen, die in de praktijk nog niet tot uitvoer zijn gebracht of waarbij de oorspronkelijke staat (van voor de vergunningverlening) kan worden hersteld?
    Zo nee, waarom niet?


[1] https://www.varkensinnood.nl/nieuwsartikelen/nederlandse-vergunningsprocedure-voor-veestallen-in-strijd-met-europees-recht

[2]http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=DB4E921D83C23CD303F7FFE26C040A36?text=&docid=228050&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=8232235

[3] https://fd.nl/economie-politiek/1380821/vertraging-woningbouw-dreigt-na-uitspraak-raad-van-state?utm_medium=email&utm_source=nieuwsbrief&utm_campaign=fd-ochtendnieuwsbrief&utm_content=1352426_45665_20210421

Indiendatum: 30 apr. 2021
Antwoorddatum: 8 jun. 2021

Op 4 mei jl. heeft u ons op grond van artikel 39 Reglement van Orde vragen gesteld over de toepassing van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State van 4 mei 2021 [1] en daarmee samenhangend de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese unie (verder het Hof) van 14 januari 2021 [2].

Algemeen

- Uitspraak van het Hof, 14 januari 2021

De rechtbank Limburg heeft in de zaak “Varkens in nood” aan het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing. In de uitspraak van 14 januari 2021 beantwoordt het Hof prejudiciële vragen over de regelgeving uit de Awb.

De Awb bepaalt dat bij het gebruik van de “uniforme uitgebreide voorbereidingsprocedure” een belanghebbende een zienswijze kan indienen (Afdeling 3.4.) In de wet kan ook worden bepaald dat naast belanghebbenden ook anderen een zienswijze kunnen indienen, “een ieder” bijvoorbeeld. Artikel 6:13 Awb bepaalt dat alleen een belanghebbende die een zienswijze heeft ingediend, beroep bij de rechter kan indienen. Dit is alleen anders als deze belanghebbende niet verweten kan worden dat hij geen zienswijze heeft ingediend. Het Hof heeft bepaald dat artikel 6:13 Awb in strijd is met het Verdrag van Aarhus.

- Uitspraken Afdeling Raad van State 14 april en 4 mei 2021

De Raad van State (RvS) heeft in haar uitspraken van 14 april [3] en 4 mei 2021 bepaald dat de beslissing van het Hof betekent dat de Awb door de wetgever moet worden gewijzigd. In de tussentijd biedt de RvS een oplossing voor de praktijk. Deze oplossing heeft de RvS inzichtelijk gemaakt in de bij dit besluit gevoegde infographic.

Reactie op uw vragen
  1. Is het College bereid de desbetreffende zinsneden in haar aankondigingen van (ontwerp-), milieu-, en omgevingsvergunningen aan te passen?

    Wij zullen bij de publicatie van besluiten waar deze uitspraak op ziet de beroepsclausule in de publicatietekst aanpassen conform de oplossing die de RvS heeft voorgesteld. Dit geldt voor besluiten die bij gemeente als ook de ODRN worden voorbereid.
  2. Is het College bereid deze uitspraak te communiceren aan haar inwoners?

    Wij zullen de beroepsclausule in de besluiten waar deze uitspraken op zien en de publicaties, aanpassen. Daarmee informeren wij onze inwoners indien zij betrokken (willen) zijn bij een besluit waarop deze uitspraken zien. Inwoners zijn daarmee voldoende geïnformeerd.
  3. Kan het College aangeven hoeveel afgegeven vergunningen mogelijk ongeldig zijn, doordat een beroep ten onrechte niet werd gehonoreerd, hoeveel dat er zijn en waarvoor deze zijn afgegeven?
  4. Is het College nu wel bereid met de Raad van State in overleg te treden om te onderzoeken of alle belanghebbenden bij reeds verleend vergunningen alsnog de mogelijkheid moet worden geboden beroep in te dienen op vergunningen en bestemmingsplannen die in de praktijk niet tot uitvoer zijn gebracht of waarbij de oorspronkelijke staat (van de vergunningverlening) kan worden hersteld?

    Reactie vraag 3 en 4 : In het bestuursrecht worden besluiten na verloop van tijd onherroepelijk en daarmee rechtens onaantastbaar. Dit kan zijn omdat een bezwaar- of beroepstermijn ongebruikt is verstreken of omdat een rechter een uitspraak doet waartegen geen verder beroep kan of wordt ingesteld. Een onherroepelijk besluit staat daarmee vast. Gelet op de rechtszekerheid voor betrokken partijen, die inhoudt dat procedures een einde kennen en partijen weten waar ze aan toe zijn, worden besluiten uiteindelijk onaantastbaar. Slechts als er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden kan er bij uitzondering teruggekomen worden op een onherroepelijk besluit. Onder nieuwe feiten en omstandigheden vallen niet, gewijzigde wetgeving of nieuwe rechtspraak.
    Dit betekent dat de hier genoemde uitspraken van het Hof en de RvS geen gevolgen meer kunnen hebben voor besluiten die onherroepelijk zijn. Het is dus niet mogelijk om bij inmiddels onherroepelijke besluiten, zoals vergunningen, bestemmingsplannen, opnieuw de mogelijkheid van beroep open te stellen.
    Dit geldt ook voor onherroepelijke besluiten (vergunningen, bestemmingsplannen etc.) die nog niet ten uitvoer zijn gebracht. Om deze reden achten wij het niet zinvol om in kaart te brengen hoeveel vergunningen onder deze procedure tot stand zijn gekomen en hierover in overleg te treden met de Raad van State. Deze vergunningen zullen niet meer gewijzigd kunnen worden.
    Bij besluiten die nog bij ons in procedure zijn zullen wij de beroepsclausule aanpassen. Bij besluiten die nog onder de rechter zijn is het aan het oordeel van de rechter om aan de uitspraken van RvS uitvoering te geven.

[1] Afdeling Raad van State, 4 mei 2021, ECLI: NL:RVS:201:953

[2] Arrest HvJ EU 14-01-2021, ECLI: EU:C:2021:7

[3] Afdeling Raad van State, 14 april 2021, ECLI: NL: 201:786